Allergische aandoeningen bestrijden met microbiële bestanddelen

    H.H. Smits | Leiden Universitair Medisch Centrum | 29 december 2015 | 5.1.15.015

Besmetting met sommige bacteriën en parasitaire wormen beschermt tegen het ontwikkelen van een allergische aandoening. Onderzoekers gaan in dit project na welke moleculen (afkomstig van de bacterie Helicobacter pylori en Schistosoma-wormen) hiervoor precies verantwoordelijk zijn en op welke manier deze moleculen ingezet kunnen worden om de ontwikkeling van allergische aandoeningen te voorkomen en/of te behandelen.

De prevalentie van allergische aandoeningen, met name allergische astma, onder kinderen is in westerse landen de afgelopen decennia flink toegenomen. Een verklaring hiervoor biedt de hygiëne hypothese. Deze stelt dat blootstelling op jonge leeftijd aan bepaalde micro-organismen, met name gastro-intestinale bacteriën en parasitaire wormen, bescherming biedt tegen de ontwikkeling van allergische aandoeningen. De afgenomen blootstelling aan deze micro-organismen als gevolg van toegenomen hygiëne leidt tot een verhoogde kans op de ontwikkeling van allergische aandoeningen, aldus de hypothese.

De afgelopen jaren is inderdaad aangetoond dat bacteriën als Helicobacter pylori en parasitaire wormen in staat zijn de werking van het immuunsysteem zodanig te beïnvloeden dat er meer regulatoire T- en B-cellen worden aangemaakt. Deze cellen hebben een dempend effect op immuunreacties. Helicobacter pylori en de parasitaire wormen vergroten op deze manier hun kansen op overleving in het menselijk lichaam.

Allergieën ontstaan als het lichaam tegen relatief onschuldige lichaamsvreemde eiwitten uit bijvoorbeeld huisstofmijten of pollen toch een immuunrespons ontwikkelt. Dendritische cellen spelen een centrale rol bij het bepalen of tegen een lichaamsvreemd eiwit een immuunrespons wordt opgeroepen of tolerantie ontstaat. Deze keuze hangt onder andere af van de omgevingsprikkels die de dendritische cellen hierbij ontvangen. Deze prikkels veroorzaken hoogstwaarschijnlijk zodanige epigenetische veranderingen in immuunrespons gerelateerde genen in de dendritische cellen dat het immuunsysteem langdurig tolerant wordt voor het bewuste lichaamsvreemde eiwit of er juist langdurig een afweerreactie tegen ontketent.

In dit project gaan de onderzoekers na in hoeverre met behulp van moleculen afkomstig van Helicobacter pylori en Schistosoma-wormen de respons van dendritische cellen tegen allergenen als huisstofmijt zodanig valt te sturen dat er tolerantie tegen deze allergenen ontstaat.

Hiertoe testen de onderzoekers allereerst of het toedienen van deze moleculen aan muizen de ontwikkeling van een allergie tegen huisstofmijt bij deze muizen kan voorkomen en/of genezen. Vervolgens gaan de onderzoekers na welke effecten deze moleculen hebben op de (tolerantie bevorderende ) activiteit van dendritische cellen die geïsoleerd zijn uit de longen van gezonde mensen. Ook onderzoeken zij de (beschermende) effecten van deze moleculen tegen het ontstaan of voortduren van immuunresponsen in neusweefsel van mensen die reeds  allergische rhinitis hebben. Tenslotte gaan de onderzoekers na welke epigenetische veranderingen deze moleculen veroorzaken in dendritische cellen afkomstig uit humaan longweefsel.

Dit moet meer inzicht geven op de mogelijkheid om microbiële moleculen in te zetten om de ontwikkeling van allergische aandoeningen te voorkomen en/of bestaande allergische aandoeningen te behandelen.

Deze samenvatting is geschreven door wetenschapsjournalist Marten Dooper

Keyword: allergisch astma micro-organismen dendritische cellen epigentica

Terug naar het overzicht

Gratis nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over subsidies, zorg en onderzoek naar astma, COPD en andere longziekten.