ERS richtlijnen aanpak van arbeidsgerelateerd astma

    Rooijackers, Dr. Jos & Heederik, Prof. dr. Dick | NKAL, IRAS | 4 juli 2012 |

Tijdens het ERS congres van 2011 in Amsterdam is de richtlijn ‘Guidelines for the management of work-related asthma’ gepresenteerd door de daarvoor ingestelde ERS task force en inmiddels ook grotendeels gepubliceerd. Er zijn vele redenen te noemen die deze richtlijn rechtvaardigen.

Waarom deze richtlijnen?

Tijdens het ERS congres van 2011 in Amsterdam is de richtlijn ‘Guidelines for the management of work-related asthma’ gepresenteerd door de daarvoor ingestelde ERS task force en inmiddels ook grotendeels gepubliceerd.1,2,3 Er zijn vele redenen te noemen die deze richtlijn rechtvaardigen. Arbeidsgerelateerd astma komt veel vaker voor dan we denken en levert een grote ziektelast op, zowel voor patiënten als sociaal-maatschappelijk. Aangenomen wordt dat van alle gevallen van astma op volwassen leeftijd 15% arbeidsgerelateerd is. Dit percentage is nog hoger indien het astma op volwassen leeftijd is ontstaan. Beroepsmatige blootstelling is niet vrijwillig, betreft vaak hoge concentraties en is in principe vermijdbaar. Dit laatste heeft als gevolg dat primaire preventie een belangrijke rol speelt. Voor een goede aanpak is kennis en ervaring noodzakelijk op het gebied van beroepsmatige blootstelling aan allergenen en irriterende agentia, gezondheidseffecten op populatieniveau en individuele diagnostiek. Dit veronderstelt interdisciplinair samenwerken door zorgverleners, arbeidshygiënisten, veiligheidskundigen, technici en werkgevers. De richtlijnen willen hieraan bijdragen door met name aandacht te geven aan gezondheidsbewaking als een geïntegreerd proces, waarin al deze schakels worden beschreven. Daarmee vormen deze richtlijnen ook een aanvulling op reeds bestaande richtlijnen van de American College of Chest Physicians (ACCP) en de British Occupational Health Research Foundation (BOHFR).4,5 Hoewel dit nog niet gebeurd, is het wel gewenst om de medewerkers meer in deze samenwerking te betrekken.

Wat is arbeidsgerelateerd astma?

Onder arbeidsgerelateerd astma wordt (niet-) immunologisch astma verstaan dat door beroepsmatige blootstelling wordt veroorzaakt (beroepastma) of verergerd (door het werk verergerend astma). Blootstelling betreft allergenen van hoog en laag moleculair gewicht of irriterende stoffen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 1) IgE gemedieerd, allergisch beroepsastma met een latentietijd, 2) beroepsastma (waarvan het immunologische mechanisme onbekend is, maar dat wel gepaard kan gaan met een latentietijd), en 3) niet-immunologisch beroepsastma, veroorzaakt door de irriterende of toxische eigenschappen van de geïnhaleerde stof, zonder latente periode. Hieronder vallen RADS (“Reactive Airways Dysfunction Syndrome”) en andere vormen van irritant-induced asthma. Door het werk verergerend astma is een reeds bestaand astma, dat door allerlei factoren en prikkels op het werk nadelig wordt beïnvloed. Het gaat om chemische of fysische prikkels, zoals geuren, koude, temperatuurswisseling en een hoge of lage vochtigheidsgraad.

Welke vraagstellingen worden behandeld?

Deze richtlijn gaat aan de hand van 5 vraagstellingen in op het herkennen en diagnosticeren van
arbeidsgerelateerd astma, de risicofactoren voor een ongunstig beloop en het effect van verschillende interventies bij patiënten met een arbeidsgerelateerd astma, de opbrengst van vroege opsporing en gezondheidsbewaking (surveillance) in populaties “at risk” en de impact van beheersmaatregelen op de preventie van astma. De vraagstellingen worden in aparte hoofdstukken uitgewerkt, die gepubliceerd zijn of worden in de European Respiratory Journal en de European Respiratory Review.1,3

Welke aanbevelingen worden gedaan?

• Bij volwassenen die zich voor het eerst of na langere tijd opnieuw presenteren met astma moet aandacht worden besteed aan mogelijk arbeidsgerelateerde klachten, het werk dat zij doen, het proces, en de stoffen, gassen en dampen waarmee zij in contact komen. Het gaat daarbij niet alleen om allergenen, maar ook om irriterende agentia. Indien het vermoeden bestaat op een arbeidsgerelateerd astma dan is diagnostisch onderzoek aangewezen. Hierbij staat longfunctie, bronchiale hyperreactiviteit, piekstroomregistratie en allergologisch onderzoek centraal. Op indicatie kan specifieke provocatie in het laboratorium of op de werkplek worden ingezet.

• Vroege herkenning van een arbeidsgerelateerd astma is van belang, omdat de prognose gunstiger is naarmate de tijd tussen het ontstaan van klachten en interventie korter is. Indien beroepsmatig astma zich heeft ontwikkeld dan lijkt absolute vermijding door eliminatie van het causale agens de beste prognose te geven. Maar zelfs dan zal het astma in een aantal gevallen niet verdwijnen. Echter, in de studies waarin de blootstelling is verlaagd en vervolgens de prognose is onderzocht, is de blootstellingsverandering niet geobjectiveerd en er bestaat dus twijfel of deze studies wel informatief zijn geweest. Andersom leidt voortgaande blootstelling meestal tot een verslechtering. Omdat reïntegratie in ander werk voor de patiënt een proces is met potentieel grote sociaal-financiële gevolgen, kan vermindering van de blootstelling met behoud van eigen werk worden overwogen. Dit vereist dan wel zorgvuldige monitoring. Beheersmaatregelen dienen gericht te zijn op reductie van de blootstelling bij de bron. Adembescherming (maskers) vormen hooguit een sluitstuk van alle maatregelen (bijvoorbeeld voor momenten met onvermijdbare piekblootstelling). Astma medicatie kan beheersmaatregelen niet vervangen.

• Het opsporen van risicofactoren en vroege verschijnselen van allergie dient periodiek te worden uitgevoerd in de populatie van blootgestelde medewerkers. Dit vangt bij voorkeur aan tijdens de opleiding en vanaf de start van blootstelling (tewerkstelling). Recent ontwikkelde methoden zoals risicostratificatie op basis van vragenlijsten worden als een goede benadering gezien en staat daarbij centraal. Daarnaast kan allergologisch onderzoek zinvol zijn.

• Medewerkers met atopie of astma in het verleden moeten worden ingelicht over de verhoogde kans op het ontwikkelen van een beroepsallergie. De voorspellende waarde van atopie en pre-existent astma voor een beroepsallergie is echter laag, zodat er geen reden is om medewerkers met deze risicofactoren af te wijzen voor functies waarin potentieel blootstelling aan allergenen optreedt. Dit geld ook voor irriterende stoffen.

• Medewerkers met arbeidsgerelateerde allergische klachten of medewerkers die gesensibiliseerd blijken, komen in aanmerking voor specialistisch diagnostisch onderzoek. Risicostratificatie met behulp van een diagnostisch model, waarbij de kans op sensibilisatie wordt bepaald aan de hand van een korte vragenlijst, biedt ook voor deze groep de mogelijkheid tot medische triage. Hierbij worden medewerkers met een verhoogd risico geselecteerd voor nadere diagnostiek, terwijl onderzoek bij medewerkers met een laag risico kan worden voorkomen. Met deze werkwijze kan de belasting voor medewerkers worden beperkt en kunnen kosten worden bespaard.

Wat betekent dit voor de Nederlandse situatie?

Door het ontbreken van een ‘risque professionel’ in het Nederlandse stelsel voor sociale zekerheid is de kennis over preventie van arbeidsgerelateerde aandoeningen beperkt. Bovendien is een duidelijke kloof aanwezig tussen de curatieve zorg en de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Dit werd in een onlangs verschenen rapport nog eens bevestigd.6 Dat neemt niet weg dat sinds 2003 een NVAB richtlijn over dit onderwerp beschikbaar is, die op hoofdpunten nog steeds actueel is.7 Daarbij komt dat ook de overheid terugtrekkende bewegingen maakt en het beleid op dit terrein aan de werkgevers laat. Er ligt een omvangrijke taak voor de verschillende professionele beroepsgroepen om samen met kennisdragers een netwerk te ontwikkelen, waardoor kennis kan worden gedeeld, de bewustwording kan groeien en implementatie wordt gestimuleerd.

Verder lezen

1. Baur X, Sigsgaard T, Aasen TB, Burge PS, Heederik D, Henneberger P, Maestrelli P, Rooyackers J, Schlünssen V, Vandenplas O, Wilken D, on behalf of the ERS Task Force on the Management of Work-related Asthma. Guidelines for the management of work-related asthma. Eur Respir J 2012; 39:529-545.

2. Baur X, Sigsgaard T. The new guidelines for management of work-related asthma Eur Respir J 2012 39:518-519.

3. Vandenplas O, Dressel H, Wilken D, Jamart J, Heederik D, Maestrelli P, Sigsgaard T, Henneberger P Baur X. Management of occupational asthma: cessation or reduction of exposure? A systematic review of available evidence. Eur Respir J 2011 38:804-811.

4. Tarlo SM, Balmes J, Balkissoon R, Beach J, Beckett W, Bernstein D, Blanc PD, Brooks SM, Cowl CT, Daroowalla F, Harber P, Lemiere C, Liss GM, Pacheco KA,Redlich CA, Rowe B, Heitzer J. Diagnosis and management of work-related asthma: American College of Chest Physicians Consensus Statement. Chest 2008; 134: 1–41.

5. Newman Taylor AJ, Cullinan P, et al. BOHRF guidelines for occupational asthma. Thorax 2005; 60: 364–366.

6. Zwart de BCH, Prins R, Gulden van der JWJ. Onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts. Astri, 2011. http://nvab.artsennet.nl/web/show/search?searchstring=astri&id=119856&domain=NVAB&filter=&googlefilter=&q=astri&from=0&to=10&=&partialfields=&sortby

7. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met astma en COPD. Utrecht: NVAB; 2003.


 

Keyword: richtlijn astma

Terug naar het overzicht

Gratis nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over subsidies, zorg en onderzoek naar astma, COPD en andere longziekten.