Maatwerk in astmamedicatie op basis van genetische profiel

    Maitland-van der Zee A.H. | Universiteit Utrecht | 31 maart 2017 | 5.1.16.094

Bij ongeveer een kwart van de kinderen met astma is de standaardbehandeling (onderhoudsdosis inhalatiecorticosteroïden plus luchtwegverwijder naar behoefte) niet voldoende om de klachten te onderdrukken. De twee opties voor vervolgbehandeling (ophogen dosis onderhoudscorticosteroïden of toevoegen langwerkende luchtwegverwijder) werken niet bij alle kinderen hetzelfde. Doel van deze studie is na te gaan of de reactie op de vervolgbehandeling te voorspellen is op basis van het genetisch profiel van de bèta-receptor van de patiënten.

De meerderheid van de kinderen met astma kan zijn/haar ziekte-gerelateerde klachten goed onder de duim houden met behulp van medicatie in de vorm van onderhoudstherapie met een inhalatiecorticosteroïde en een kort werkende luchtwegverwijder (kortwerkend bèta-mimeticum, SABA) naar behoefte. Bij ongeveer een kwart van de kinderen met astma lukt het niet op deze manier de ziekte in toom te houden. Volgens de (internationale) richtlijnen zijn er dan twee opties: het verhogen van de dosis onderhoudsmedicatie (doorgaans een verdubbeling van de hoeveelheid inhalatiecorticosteroïde) òf het toevoegen van een langwerkende luchtwegverwijder (langwerkend bèta-mimeticum, LABA). Op papier en op groepsniveau werken beide opties even goed. In de praktijk blijken sommige kinderen echter meer baat te hebben van het ophogen van de dosis inhalatiecorticosteroïde terwijl bij andere kinderen juist het toevoegen van de LABA het beste werkt om de astmaklachten in toom te houden.

Het vermoeden bestaat dat dit verschil berust op variantie in de bèta-receptor, het eiwit in het celmembraan waarop SABA en LABA aangrijpen. De bèta-receptor kent twee varianten. In de ‘normale’ - dat wil zeggen meest voorkomende – variant bevindt zich op plaats 16 in het receptoreiwit het aminozuur glycine. Bij een minderheid van de mensen bevat het receptoreiwit op deze plaats het aminozuur arginine. In het laatste geval is het receptoreiwit minder stabiel en verdwijnt het onder invloed van een behandeling met SABA of LABA sneller van het celoppervlak.

Op grond van deze kennis lijkt het voor de hand te liggen dat kinderen met (ongecontroleerde) astma die genetische gezien homozygoot of heterozygoot zijn voor de arginine-bevattende variant van de bèta-receptor meer baat zullen hebben bij een het ophogen van de dosis inhalatiecorticosteroïde, terwijl de kinderen die homozygoot zijn voor de glycine-bevattende receptor baat hebben bij het toevoegen van LABA. Doel van dit project is deze aanname te testen in gerandomiseerde studie met een cohort van 310 kinderen (6 – 17 jaar) met ongecontroleerd astma ondanks optimale medicatie met een onderhoudsdosis inhalatiecorticosteroïden en SABA naar behoefte. Op basis van hun genetisch profiel ten aanzien van de bèta-receptor worden zij gerandomiseerd naar een behandeling gedurende 6 maanden met een verhoogde onderhoudsdosis inhalatiecorticosteroiden of toevoegen van LABA aan de bestaande onderhoudsdosis. Het idee is dat deze behandeling op maat leidt tot een snellere afname en controle van de astmaklachten. Het kind zal hierdoor minder astma-aanvallen hoeven door te maken wat zal leiden tot minder ziekte en schoolverzuim voor het kind. Een effectievere inzet van de beschikbare medicatie zal bovendien kunnen leiden tot minder bijwerkingen van de medicatie en een daling van de kosten van de behandeling.

Deze samenvatting is geschreven door wetenschapsjournalist Marten Dooper.

Keyword: astma kinderen ongecontroleerd bèta-receptor LABA

Terug naar het overzicht

Gratis nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over subsidies, zorg en onderzoek naar astma, COPD en andere longziekten.