Asthma; epidemiologie, treatment and exacerbations in real life

  • Naam promovendus: Mevrouw M. Engelkes
  • Instituut Universiteit: Marjolein Engelkes
  • Datum van promotie: 13-03-2016
  • Proefschrift afgesloten

In dit proefschrift hebben we gekeken naar de epidemiologie, behandeling, exacerbaties en mortaliteit bij patiënten met astma in de klinische praktijk. Bovendien hebben we de risico factoren van een lage therapietrouw en van astma exacerbaties onderzocht. In dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van verschillende Nederlandse en andere Europese databases.

In dit proefschrift hebben we gekeken naar de epidemiologie, behandeling, exacerbaties en mortaliteit bij patiënten met astma in de klinische praktijk. Bovendien hebben we de risico factoren van een lage therapietrouw en van astma exacerbaties onderzocht. In dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van verschillende Nederlandse en andere Europese databases.

Hoofdstuk 1 geeft een kort overzicht over de etiologie en behandeling van astma. Het beschrijft ook de doelen van de uitgevoerde studies en de opzet van het proefschrift.
Hoofdstuk 2 beschrijft de epidemiologie van astma. In hoofdstuk 2.1 beschrijven we de selectie van het pediatrische astma cohort (= ESTATe cohort; Effectiveness and Safety of controller Therapy of Asthma in the Treatment of childrEn with asthma) in de Integrated Primary Care Information (IPCI) database. Dit cohort werd samengesteld door het zorgvuldig bekijken van alle medische dossiers van potentiële astmapatiënten, die werden geïdentificeerd met behulp van “machine learning” technieken. Het geautomatiseerde algoritme liet een goede prestatie zien in het detecteren van potentiële cases, waarbij gebruik werd gemaakt van zowel vrije tekst als gecodeerde data. Dit algoritme leverde een positief voorspellende waarde op van 0.82, een sensitiviteit van 0.96 en een specificiteit van 0.90 als zowel definitieve als mogelijke astma cases werden geïdentificeerd. In hoofdstuk 2.2 hebben we de gevalideerde dataset van 14.303 kinderen met astma (totaal 35.118 persoonsjaren (PJ) follow-up) gebruikt om de trend in incidentie, prevalentie en leeftijd waarop de astma diagnose werd gesteld, te beschrijven tussen 2000 en 2012. Hierin hebben we laten zien dat de incidentie van dokter-gediagnosticeerd astma 6.7 per 1000 PJ was bij kinderen in Nederland. De incidentie van astma was lager bij meisjes dan bij jongens voor de pubertijd, na de pubertijd nam dit geslachtsverschil af. De incidentie van astma nam toe tot 2008, en vanaf 2008 werd een niet significante afname gezien. De cumulatieve prevalentie van astma was 8.1%. De leeftijd specifieke cumulatieve prevalentie van astma was hoger bij jongens dan bij meisjes in alle leeftijd categorieën.
In hoofdstuk 3.1 beschrijven we de epidemiologie en risico factoren van astma exacerbaties. In het ESTATe cohort identificeerden we 732 exacerbaties. De incidentie van astma exacerbaties was 2.1/100PJ, en was 4.1/100PJ voor kinderen met astma behandeling. Een seizoen trend werd gezien, met hoogste incidenties in het voor- en najaar. Re-exacerbaties traden op bij 2% van de patiënten binnen 1 maand en bij 25% binnen 1 jaar. Voorspellers voor frequente astma exacerbaties waren leeftijd, geslacht, specialist-bezoeken, voorschriften voor inhalatiecorticosteroïden (ICS) en eerdere exacerbaties, wat een ernstiger astma suggereert.
In hoofdstuk 3.2 hebben we de sterfte bij patiënten met astma geanalyseerd en het risico op overlijden na een ernstige exacerbatie in 6 Europese elektronische gezondheidszorg databases. Het cohort bestond uit 855.806 astmapatiënten. Het sterfterisico varieerde tussen 4.8-13.2/1000 PJ in de verschillende databases en tussen 16.0-36.2/1000 PY bij patiënten met ernstig astma. Sterfte in de eerste week na een exacerbatie was 26.3-109.5/1000 PJ en was hoger na een ernstige exacerbatie (eerste hulp bezoek/ ziekenhuis opname) (57.9-239.4/1000 PJ). We bestudeerden risico factoren voor mortaliteit in een subgroep van volwassenen met incident astma. Een hogere leeftijd, onderliggende ziekten (COPD, diabetes, cerebro- en vasculaire ziekten en kanker), roken, ernst van astma, en eerdere astma exacerbaties waren geassocieerd met mortaliteit in de meeste databases.
In hoofdstuk 4.1 beschrijven we de behandelingspatronen en therapietrouw bij kinderen met astma. Het ESTATe cohort werd vooral behandeld met kortwerkende ß2-agonisten (SABA; 40 gebruikers/100 PJ) en ICS (32/100 PJ). De therapietrouw aan ICS was laag met een mediane ‘medication possession ratio’ (MPR) van 56%. Kinderen met een goede therapietrouw waren jonger bij de start van de ICS- behandeling, bezochten vaker een specialist en hadden vaker een exacerbatie tijdens follow-up, vergeleken met kinderen met een lage therapietrouw. Dit suggereert dat kinderen met een goede therapietrouw een ernstigere vorm van astma hadden.
Hoofdstuk 4.2 vat de beschikbare literatuur samen met betrekking tot de relatie tussen therapietrouw en ernstige astma exacerbaties. We observeerden veel heterogeniteit tussen de verschillende studies met betrekking tot therapietrouw en metingen van exacerbaties, designs en analyses. Ondanks dat er zeer verschillende metingen werden gebruikt, was goede therapietrouw geassocieerd met minder ernstige astma exacerbaties in de studies met een goede kwaliteit.
In hoofdstuk 5 rapporteren we de prevalentie en doeltreffendheid van het Nederlandse preferentie beleid voor inhalatiemedicatie in de studieperiode 2003-2012. Hoofdstuk 5.1 laat zien dat het switchen tussen merk en generieke inhalatiemedicatie weinig voorkomt, gezien dit slechts bij 5% van alle patiënten per kalenderjaar voorkwam. Het aantal generieke afleveringen van inhalatiemedicatie nam toe in de tijd. Switchen tussen inhalatoren kwam voor bij 5% van de patiënten, die inhalatiemedicatie gebruikten waarvoor verschillende inhalatoren beschikbaar waren. 16% van alle patiënten gebruikten meer dan 1 inhalator in 1 kalenderjaar. Therapietrouw aan zowel generieke als merk inhalatiemedicatie was laag, met een mediane MPR gemeten over de eerste 12 maanden van 33 tot 55%. In hoofdstuk 5.2 rapporteren we dat huidig gebruik van generieke inhalatie ß2 agonisten geassocieerd is met een verhoogd risico op astma exacerbaties vergeleken met merk inhalatie ß2 agonisten. Deze associatie was sterker wanneer dit werd onderzocht bij patiënten die switchen tussen generieke en merk inhalatiemedicatie. Deze associatie werd niet gezien bij het gebruik van generieke ICS of switchen tussen generieke en merk ICS.
Tenslotte, bediscussiëren we in Hoofdstuk 6 de resultaten en de methodologische aspecten van de studies in dit proefschrift. We sluiten dit hoofdstuk af met suggesties voor toekomstig onderzoek.

Voortgekomen uit onderzoek 8.1.16.113