Cognitieve-Pulmonary Disease?

  • Naam promovendus:
  • Instituut Universiteit:
  • Datum van promotie: 21-03-2017
  • Proefschrift afgesloten

Dit proefschrift toont aan dat cognitieve beperkingen aanwezig zijn bij meer dan de helft van de patiënten met COPD en dat verschillende cognitieve domeinen zijn aangedaan. Daarnaast is in dit proefschrift aangetoond dat cognitieve beperkingen geen effect hebben op uitkomstmaten van longrevalidatie. Daarentegen hebben patiënten met cognitieve beperkingen wel een verhoogd risico op uitval tijdens de revalidatie. Omdat cognitieve beperkingen niet te voorspellen zijn op basis van demografische en klinische kenmerken, is een actieve screening voor cognitieve beperkingen nodig.

Voorheen werd chronisch obstructieve longziekte (COPD) beschouwd als een ziekte aan de longen, vooral veroorzaakt door roken. Tegenwoordig wordt het gezien als een multisysteemziekte, waarbij gelijktijdig sprake is van fysieke en psychologische gezondheidsproblemen, waaronder een verminderd cognitief functioneren. Patiënten met COPD kunnen cognitieve beperkingen hebben, zowel globaal of in één of meerdere cognitieve domeinen, zoals informatieverwerking, aandacht en concentratie, geheugen, executieve functies, en zelfbeheersing. Cognitieve beperkingen kunnen een negatieve invloed op de gezondheid en het dagelijks leven hebben en gepaard gaan met wijdverspreide gevolgen voor disease management programma’s. Om de patiëntgerichte behandeling voor patiënten met COPD te kunnen optimaliseren en persoonlijk ongemak, ziekenhuisopnames, en sterfte te kunnen verminderen, is het van belang om de huidige kennis en inzichten in het cognitief functioneren bij patiënten met COPD uit te breiden. Het doel van dit proefschrift was dan ook om de prevalentie van algehele en domein-specifieke cognitieve beperkingen en de klinische kenmerken van patiënten met COPD en cognitieve beperkingen te onderzoeken. Daarnaast richtte dit proefschrift zich op de relatie tussen cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD en de ernst van de ziekte, structurele hersenafwijkingen, en de werkzaamheid van longrevalidatie.

Tot op heden werd het cognitief functioneren bij patiënten met COPD voornamelijk onderzocht met beknopte screeningsinstrumenten die niet in staat zijn om specifieke cognitieve functies te onderscheiden en onderzoeken. Met behulp van data van de United Kingdom Biobank Resource zijn verschillende cognitieve functies bij 5764 personen met en 37.275 personen zonder obstructieve longziekte (OLD) vergeleken (Hoofdstuk 2). OLD is een groep van respiratoire ziekten gekenmerkt door obstructie van de luchtwegen, waaronder COPD, chronische bronchitis, emfyseem, astma, bronchiëctasie, bovenste luchtwegen laesies, bronchiolaire ziekten en interstitiële longziekten. Personen met OLD hadden significant lagere scores op cognitieve maten van prospectief geheugen, visueel-ruimtelijk geheugen, numeriek korte-termijn geheugen en cognitieve verwerkingssnelheid. Bovendien was het cognitief functioneren deels gerelateerd aan de mate van obstructie van de luchtwegen. De effecten van cognitieve beperkingen in geheugen en informatieverwerking, zoals een verminderde medicatie management, verminderde slaap efficiëntie en een verminderd vermogen tot informatieverwerking, alsook het reageren op gegeven informatie, zijn reeds onderzocht in andere populaties. Professionals in de gezondheidszorg moeten alert zijn op de aanwezigheid van cognitieve beperkingen, alsook de mogelijke impact van cognitieve beperkingen op zelfmanagement, klinische behandeling en longrevalidatie voor personen met chronische luchtweg aandoeningen.

Het ontstaan van cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD is vooralsnog grotendeels onbekend. Hypoxemie en hypoxie kunnen resulteren in hypoxische stress in de hersenen en leiden tot neuropathologische veranderingen in de hersenen. Met behulp van data van de Nederlandse Hersenbank werd in Hoofdstuk 3 hersenautopsieverslagen van 89 overleden donoren vergeleken met COPD en 89 overleden donoren zonder COPD. Er werd geen verschil gevonden in de aanwezigheid van degeneratieve of neoplastische veranderingen tussen de hersenen van overleden donors met en zonder COPD, terwijl vasculaire veranderingen vaker werden gevonden in de hersenen van controle donoren. Longitudinale prospectieve studies zullen nodig zijn om met behulp van structurele en functionele magnetic resonance imaging (MRI) hersenscans, in combinatie van data van het cognitief functioneren, vast te stellen of er een causaal verband bestaat tussen hersenafwijkingen en cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD.

Naast cognitieve stoornissen, worden ook slaapstoornissen vaak gerapporteerd bij patiënten met COPD. Echter, informatie over de relatie tussen slaap en cognitie bij COPD is schaars. Hoofdstuk 4 onderzoekt de associatie tussen het cognitieve copy function vermogen en zelf-gerapporteerde beperkingen in slaapkwaliteit en ernst van de ziekte in 562 COPD-patiënten van de Salute respiratoria nell'Anziano Study. Slaapbeperkingen werden vaak gerapporteerd door patiënten met COPD, maar vertonen een zwakke correlatie met cognitief functioneren. Daarnaast blijken slaapbeperkingen geen marker van de ernst van de ziekte te zijn. Wel werd een trend gevonden waarbij patiënten (in de totale groep en in GOLD I) met slaapstoornissen een slechtere prestatie hadden op het cognitieve copy function vermogen. Dit suggereert dat COPD patiënten met slaapstoornissen vatbaarder zijn voor cognitieve beperkingen in de hogere cognitieve functies zoals blijkt uit de copy function vergeleken met COPD patiënten zonder slaapstoornissen.

Om meer inzicht te krijgen in het cognitief functioneren van patiënten met COPD, werd de COgnitive- PD study opgezet. Een longitudinale observationele vergelijkende studie van patiënten met COPD verwezen voor longrevalidatie en gezonde controle deelnemers. Het baseline cognitief functioneren van
183 patiënten met COPD werd beoordeeld tijdens huisbezoeken met behulp van een uitgebreide neuropsychologische tests batterij en vergeleken met het cognitief functioneren van 90 controles zonder COPD. Demografische gegevens, klinische kenmerken en uitkomstmaten van de longrevalidatie werden beoordeeld om inzicht te krijgen in de relatie met cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD. Daarnaast werd een MRI substudie verricht om hersenafwijkingen te vergelijken tussen patiënten met COPD met en zonder cognitieve beperkingen. Het onderzoeksprotocol van de COgnitive-PD study wordt beschreven in Hoofdstuk 5.

Cognitieve beperkingen kunnen interfereren met disease management programma’s voor patiënten met COPD, afhankelijk van welke cognitieve domeinen zijn aangetast. Hoofdstuk 6 vergelijkt de prevalentie van domein-specifieke cognitieve beperkingen tussen de 90 patiënten met COPD en 90 controles zonder COPD, gematcht voor leeftijd, opleidingsniveau, en rookstatus. We vonden dat cognitieve beperkingen bij 56,7 % van de patiënten met COPD aanwezig waren. Ook waren cognitieve beperkingen vier keer zo vaak aanwezig in patiënten ten opzichten van controles, en waren de cognitieve domeinen psychomotorische snelheid, planning, werkgeheugen, verbaal geheugen en cognitieve flexibiliteit aangetast. Bijkomende aandoeningen spelen mogelijk een rol bij de aanwezigheid van cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD, maar spelen COPD-specifieke factoren een grotere rol bij de beperkingen in de executieve functies. De identificatie van domein-specifieke cognitieve beperkingen is noodzakelijk voor verdere optimalisering van therapieën, zoals het stoppen met roken, zelfmanagement programma's, en longrevalidatie, voor patiënten met COPD.

Het identificeren van factoren die samenhangen met cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD kan artsen helpen om patiënten met een aanwezige cognitieve beperkingen op te sporen voor verdere cognitieve beoordeling. Hoofdstuk 7 toonde aan dat de klinische kenmerken van 183 patiënten met COPD, zoals functionele status, ziekte-specifieke gezondheidsstatus, en psychisch welbevinden, vergelijkbaar waren voor COPD patiënten met en zonder cognitieve beperkingen. Bovendien was de prevalentie van cognitieve beperkingen vergelijkbaar tussen de verschillende ernststadia van COPD. De beoordeling van cognitieve beperkingen bij COPD vereist dus een actieve screening in alle GOLD stadia.

Structurele hersenafwijkingen worden in de literatuur geassocieerd met de aanwezigheid van cognitieve beperkingen, direct of indirect via sigarettenrook, ontstekingen, vasculaire ziektes, of hypoxemie bij patiënten met COPD. Een subgroep van 55 patiënten uit de COgnitive-PD study populatie ondergingen een 3T MRI scan van de hersenen. In Hoofdstuk 8 worden cerebral small vessel disease, een aandoening van de kleine bloedvaatjes in de hersenen, en het hippocampus volume tussen cognitief hoog en cognitief laag presterende patiënten met COPD met elkaar vergeleken. Er werd geen bewijs gevonden voor een relatie tussen cerebral small vessel disease en hippocampus volume en het cognitief functioneren bij patiënten met COPD. Vervolg studies zijn nodig om andere mogelijke mechanismen van cognitieve beperkingen bij patiënten met COPD te onderzoeken, waaronder microstructurele veranderingen in de hersenen en inflammatoire,- hormonale,- metabolische,- en (epi)genetische factoren.

Cognitieve beperkingen kunnen interfereren met het opnemen, begrijpen, en integreren van informatie, en het onthouden van afspraken. Cognitieve beperkingen kunnen daarom negatieve gevolgen hebben voor een longrevalidatie programma. Hoofdstuk 9 vergelijkt longrevalidatie uitkomsten tussen patiënten met en zonder cognitieve beperkingen. Na longrevalidatie vertonen zowel patiënten met COPD met, alsook zonder cognitieve beperkingen, verbetering van de functionele status, gezondheidsstatus, psychologisch welbevinden, kennis van de ziekte en een afname van behoefte aan informatie. Hoewel patiënten met cognitieve beperkingen een verhoogd risico op uitval tijdens de revalidatie hebben, hebben patiënten die de longrevalidatie afronden baat bij het longrevalidatie programma. Cognitieve beperkingen zijn dus geen contra-indicatie voor longrevalidatie bij patiënten met COPD .

Voortgekomen uit onderzoek 8.2.17.175