Symptomatische behandeling van allergische rhinoconjunctivitis en de relatie met astma

  • Naam promovendus: prof Dr P.J.E. Bindels
  • Instituut Universiteit: Stichting IFMSA-Rotterdam

Symptomatische behandeling van allergische rhinoconjunctivitis en de relatie met astma. Allergische rhinitis (AR) en astma worden gezien als twee aandoeningen met eenzelfde oorsprong welke verschillende delen van het ademhalingstelsel beïnvloeden (neus dan wel longen). Richtlijnen benadrukken een gemeenschappelijke behandeling van ontsteking van de bovenste en onderste luchtwegen ter verlichting van klachten en verbetering van kwaliteit van leven.

Allergische rhinitis (AR) en astma worden gezien als twee aandoeningen met eenzelfde oorsprong welke verschillende delen van het ademhalingstelsel beïnvloeden (neus dan wel longen). Richtlijnen benadrukken een gemeenschappelijke behandeling van ontsteking van de bovenste en onderste luchtwegen ter verlichting van klachten en verbetering van kwaliteit van leven.
Behandeling van milde of intermitterende AR gebeurt door middel van antihistaminica (tablet) of intranasale corticosteroïden (INCS, neusspray). INCS zijn bewezen beter dan antihistaminica als neusklachten op de voorgrond staan en als de klachten persisterend zijn (het hele jaar door). Als er een snelle, directe verbering van klachten noodzakelijk is (in het geval van hooikoorts, als pollen in de lucht zijn) of wanneer oogklachten een belangrijke rol spelen is de keuze voor één van deze interventies niet zo duidelijk.
Er wordt gesuggereerd dat een adequate behandeling van AR een positieve invloed heeft op lage luchtweg klachten. INCS en wellicht antihistaminica kunnen een veelbelovende additionele behandeling zijn om astmaklachten te verlagen in patiënten die naast rhinitis ook een milde vorm van astma hebben. Meer onderzoek is echter nodig.

Deze studie richt zich op twee onderzoeksvragen:
• Welke behandeling (antihistaminica/INCS op verzoek/INCS op continue basis) is het meest effectief ter behandeling van AR klachten bij kinderen met AR als gevolg van pollen blootstelling, geselecteerd in de huisartspraktijk?
• Wat is de effectiviteit van AR-behandeling op astma klachten and astma controle in patiënten met AR en samengaand astma?

Studie-opzet: enkel-blinde RCT met drie behandelgroepen: antihistaminica zo nodig vs. INCS op continue basis vs. INCS op verzoek.

Studiepopulatie: kinderen (6-18 jaar) met AR als gevolg van pollen onder behandeling bij de huisarts.
Primaire uitkomst: percentage van (neus en oog) symptoom vrije dagen gedurende 2 maanden in het boompollen / graspollen seizoen.
Secondaire uitkomsten: allergie symptoomscore, (rescue)medicatie vrije dagen, AR-specifieke kwaliteit van leven, patiënten voorkeur voor medicatie.
Uitkomstmaten met betrekking tot AR-behandeling op astma: % dagen zonder astma symptomen, astma symptoomscore, astma medicatie vrije dagen, astma-specifieke kwaliteit van leven, mate van astma controle.
Steekproefgrootte: we onderscheiden patiënten met alleen hooikoorts en patiënten met hooikoorts en huisstofmijt-allergie. Op basis van een verschil van 10 procentpunten tussen twee verschillende behandelgroepen en op basis van indeling van de groepen in patiënten met HSM en zonder HSM, en een uitval van 10% hebben we een steekproefgrootte van 137 patienten per groep nodig (totaal n=411).
Uitvoerbaarheid: de studie zal 38 maanden duren. Kinderen zullen in twee cohorten geïncludeerd worden (2013 en 2014). Van eerdere studies weten we dat we 1315 kinderen met AR moeten selecteren in de huisartspraktijk om 411 geschikte kinderen over te houden. Om dit aantal te behalen, hebben we 83 deelnemende huisartsen nodig. Het gebied waarbinnen we huisartsen kunnen werven bevat rond 1500 huisartsen, wat meer dan genoeg is om het benodigd aantal kinderen te werven.

Abstract

Allergic rhinitis (AR) and asthma are considered manifestations of the same origin affecting different parts of the respiratory tract. Guidelines emphasize the importance of a common strategy to treat allergic inflammation of the upper and lower airways as a way to improve disease symptoms and to provide better quality of life.
Therapeutic intervention for mild or intermittent AR includes antihistamines or intranasal corticosteroids (INCS). The effectiveness of INCS have been proven to be superior above antihistamines with respect to nasal symptoms and in the case of persistent complaints of AR. When fast and on demand relief of symptoms is necessary (in the case of hay fever on days when pollen exposure is high) or when ocular symptoms are involved the choice for one of these interventions is not as clear.

It has been suggested that adequate treatment of AR might be beneficial for the lower airways. Whereas INCS and perhaps antihistamines may be a promising additive treatment to reduce asthma symptoms in patients with rhinitis and mild asthma, more research is needed.

This study consists of two research questions:
• Which treatment (antihistamines/INCS on demand/INCS continuously) is most effective in children with AR due to pollen allergy under treatment by the general practitioner?
• What is the effectiveness of AR treatment on asthma symptoms and asthma control in patients with AR and concomitant asthma?

Study design: single-blind RCT with three parallel treatment groups: antihistamines on demand versus INCS on a continuous basis versus INCS as needed.
Study population: Children (6-18 years) with AR due to pollen allergy under treatment by the general practitioner.
Primary outcome: percentage of (nose and eye) symptom free days during 2 months in the tree/grass pollen season.
Secondary outcomes: allergy symptom score, (rescue)medication free days, AR-specific quality of life, patient’s preference of medication.
Outcomes regarding the effectiveness of AR-treatment on asthma: % days without asthma symptoms, asthma symptom score, asthma medication free days, asthma quality of life, and degree of asthma control.
Sample size calculation: Children will be stratified into two groups: with grass and/or tree pollen allergy only and a combination of pollen and house dust mite allergy. Based on alpha = 0.05, beta= 0.20, a detectable difference of 10 percentpoints, and allowing for presence or absence of HDM sensitization and 10% dropouts, a sample size of 137 patients per group (total n=411) is needed.
Feasibility: The total study period will be 38 months. Children will be included in two cohorts (2013 and 2014). From previous studies we know that we need to select around 1315 children with AR in order to end up with 411 suitable children. In order to reach this amount we need 83 participating GPs. The catchment area of our department comprises around 1500 GPs, which is more than sufficient to recruit the necessary number of children.

  • Bedrag:
    255.000,00
  • Looptijd:
    3 jaar, 2 maanden
  • Soort subsidie:
    Research Project
  • Andere aanvragers/partners:
  • Projectnummer:
    3.4.11.049